Franchise

17 februari 2022

Wet franchise en de verplichting tot vergoeding van goodwill

Franchise

Jan-Willem Kolenbrander

Op 1 januari 2021 is de Wet franchise ingegaan. Volgens de Memorie van Toelichting [1] is het doel van deze wet knelpunten bij de franchisesamenwerking tegen te gaan. Eén van de gevolgen van de introductie van de Wet franchise is dat een franchisegever in bepaalde gevallen goodwill moet betalen aan de franchisenemer bij het einde van de franchiseovereenkomst. Maar wanneer is daar precies sprake van?

Goodwill

‘Goodwill’ wordt doorgaans gekwalificeerd als de niet-tastbare meerwaarde van een onderneming en omvat onder meer de winstpotentie in de toekomst. Dergelijke meerwaarde kan bijvoorbeeld ontstaan, omdat een franchisenemer dermate klantvriendelijk personeel weet aan te trekken dat klanten graag terugkomen. Of omdat de franchisenemer in de regio een goede reputatie geniet en op die manier een grote klantenportefeuille heeft opgebouwd. Wordt de gefranchisede onderneming verkocht, dan zal deze meerwaarde resulteren in een hogere verkoopprijs van de onderneming dan alleen de tastbare waarde van de onderneming, zoals voorraad, inventaris en bouwkundige voorzieningen.

Bij het einde van een agentuurovereenkomst kan een agent in sommige (in de wet geregelde) gevallen aanspraak maken op betaling van goodwill. Tot de invoering van de Wet franchise waren er ten aanzien van de franchiseovereenkomst echter geen specifieke wettelijke bepalingen omtrent goodwill. Of een franchisenemer bij het einde van de franchiseovereenkomst recht had op goodwill – en hoeveel – was dus volledig afhankelijk van hetgeen partijen daarover met elkaar hadden afgesproken.

Door de invoering van de Wet franchise per 1 januari 2021 is daar verandering in gekomen. Zo is een franchisegever verplicht om op grond van artikel 7:920 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) een regeling op de nemen in de franchiseovereenkomst omtrent goodwill. Deze regeling moet in ieder geval de wijze bepalen waarop wordt vastgesteld of er goodwill aanwezig is in de onderneming van de franchisenemer, welke omvang die goodwill dan heeft en in welke mate deze aan franchisegever is toe te rekenen, alsmede hoe de aan de franchisenemer toe te rekenen goodwill wordt vergoed als de franchisegever bij het einde van de franchiseovereenkomst de exploitatie van de onderneming overneemt en voortzet, dan wel laat voortzetten door een ander.

Voornoemde regeling kan op allerlei manieren worden vormgegeven. Er kan – bijvoorbeeld – worden afgesproken dat partijen een onafhankelijke deskundige inschakelen als de franchisegever de onderneming wil overnemen. Of er kan daartoe een concrete rekenmethode worden opgenomen in de franchiseovereenkomst. Wat er ook wordt opgenomen in de franchiseovereenkomst; de wetgever wil met name voorkomen dat een franchisenemer na de beëindiging van de franchiseovereenkomst gedwongen wordt om zijn onderneming over te dragen aan de franchisegever zonder dat er een redelijke vergoeding wordt voldaan voor de door de franchisenemer opgebouwde goodwill.

Overgangsperiode

Net zoals in het geval van het postcontractuele non-concurrentiebeding en drempelwaarden krijgen franchisegevers van de wetgever ook ten aanzien van het opnemen van een goodwill-regeling in een bestaande franchiseovereenkomst respijt. Ook hier geldt dat franchiseovereenkomsten, die op 1 januari 2021 al van kracht waren, uiterlijk op 1 januari 2023 een goodwill-bepaling moeten bevatten. Nieuwe franchiseovereenkomsten moeten direct een goede goodwill-bepaling bevatten.

Afsluitend

De goodwill-regeling is in beginsel enkel relevant op het moment dat de franchisegever de gefranchisede onderneming na het einde van de franchiseovereenkomst overneemt van de franchisenemer. Wordt de gefranchisede onderneming door een ander overgenomen na het einde van de franchiseovereenkomst, zoals een andere franchisenemer, dan is artikel 7:920 BW niet van toepassing. Dat laat echter onverlet dat een goodwill-bepaling als voornoemd hoe dan ook opgenomen dient te worden in de franchiseovereenkomst.

Jan-Willem Kolenbrander

Advocaat franchise-recht en commerciële contracten

[1] Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van regels omtrent de franchiseovereenkomst (Wet franchise) | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Laatste nieuws

Franchise

Verjaringsperikelen bij prognose-zaken

Indien een franchisenemer bij het aangaan van de franchiseovereenkomst ondeugdelijke prognoses heeft gekregen van zijn franchisegever kan hij in sommige gevallen de franchiseovereenkomst vernietigen op grond van dwaling. Maar dat moet hij dan wel binnen een bepaalde termijn doen. Is de franchisenemer te laat met zijn beroep op dwaling dan is zijn vordering verjaard.

25 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisegever moet schadevergoeding voldoen omwille van onregelmatige beëindiging

Het onregelmatig beëindigen van een franchiseovereenkomst zorgt er voor dat de partij, die ten onrechte beëindigt, schadeplichtig wordt jegens de andere partij. En dat kan grote financiële gevolgen hebben, zoals ook blijkt uit de casus die in deze blog wordt besproken.

9 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisenemer vraagt tevergeefs vernietiging non-concurrentiebeding

Een postcontractueel non-concurrentiebeding is een beding dat een franchisenemer na het einde van de franchiseovereenkomst verbiedt om met de formule concurrerende activiteiten te ontplooien. Een franchisenemer die is gebonden aan een dergelijk postcontractueel non-concurrentiebeding kan zich op allerlei standpunten stellen om de werking van dit beding aan te tasten. Vaak blijkt echter dat deze standpunten niet tot het gewenste resultaat leiden, te weten het terzijde schuiven van het postcontractuele non-concurrentiebeding, zoals ook blijkt uit de volgende casus.

6 oktober 2022

Meer hierover