Franchise

21 januari 2022

Wet franchise en de introductie van een afgeleide formule

Franchise

Jan-Willem Kolenbrander

Op 1 januari 2021 is de Wet franchise ingegaan. Volgens de Memorie van Toelichting op deze wet is het doel van de invoering om knelpunten bij de franchisesamenwerking tegen te gaan. Eén van de gevolgen van de introductie van de Wet franchise is dat er wettelijke bepalingen zijn geïntroduceerd omtrent de afgeleide formule. Maar wat is nou precies een ‘afgeleide formule’?

Een franchisegever sluit franchiseovereenkomsten met franchisenemers om op die wijze een distributienetwerk op te kunnen bouwen. De franchisenemers exploiteren onder de naam en huisstijl van de franchiseformule hun onderneming om bepaalde goederen en/of diensten te verhandelen aan de consument. Een franchisegever kan er echter ook voor kiezen om – naast voornoemde distributieketen – een nieuwe manier te introduceren om dezelfde goederen en/of diensten onder de aandacht van de consument te brengen. Daarbij kan deze nieuwe distributieketen qua uitstraling en (merk)naam heel erg lijken op de reeds bestaande distributieketen van franchisenemers. Zo erg zelfs dat de consument aanneemt dat de nieuwe distributieketen (op enigerlei wijze) onderdeel is van de reeds bestaande franchiseformule.

Dat is kort samengevat wat een ‘afgeleide formule’ is. Denk daarbij aan de landelijke webshop van de franchisegever; die heeft een stijl die gelijk is aan de huisstijl van de franchiseformule, dan wel daar in ieder geval heel veel op lijkt. Daarnaast worden er via deze webshop doorgaans goederen en diensten verhandeld die ook via de franchisenemers worden verhandeld. De ‘To Go’ versies van supermarkten in de treinstations zijn eveneens een voorbeeld van een afgeleide formule: qua huisstijl en assortiment lijken ze voor de consument erg op de ‘normale’ supermarkten, hoewel het uiteindelijk net wel een andere soort winkels zijn.

Aldus de wetgever kan een franchisenemer concurrentie ondervinden van de introductie van een afgeleide formule door de franchisegever. Om die reden was het volgens de wetgever zinvol om beschermende bepalingen daaromtrent op te nemen in de wet. Zodoende gelden er per 1 januari 2021 wettelijke regels omtrent de introductie van een afgeleide formule door de franchisegever via de Wet franchise.

Zo is in artikel 7:916 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) bijvoorbeeld geregeld dat een franchisegever de franchisenemers ‘tijdig’ moet informeren over een voornemen om een afgeleide formule te gaan introduceren. In artikel 7:913 BW staat een verplichting van de franchisegever om een kandidaat-franchisenemer voorafgaand aan het ondertekenen van de franchiseovereenkomst te wijzen op het bestaan van een concurrerende afgeleide formule.

In artikel 7:921 BW is verder bepaald dat als een franchisegever voornemens is om een afgeleide formule te gaan introduceren daarvoor een bepaalde drempelwaarde moet zijn opgenomen in de franchiseovereenkomst. Is de verwachting dat de gevolgen van de introductie van de afgeleide formule, zoals bijvoorbeeld omzetverlies voor de franchisenemers, deze drempelwaarde te boven gaat? Dan heeft de franchisegever eerst instemming nodig van de franchisenemers voordat tot de introductie van de afgeleide formule kan worden overgegaan.

Met ‘instemming’ wordt bedoeld: i) de meerderheid van de in Nederland gevestigde franchisenemers of ii) elk van de in Nederland gevestigde franchisenemers die geraakt worden door de introductie van de afgeleide formule. De franchisegever mag kiezen welke methodiek er wordt gekozen. Is er geen drempelwaarde hiervoor opgenomen in de franchiseovereenkomst dan is altijd instemming noodzakelijk van de franchisenemers.

Met voorgaande regelingen heeft de wetgever beoogd om wettelijke kaders aan te brengen aan het introduceren van afgeleide formules door de franchisegever. Daardoor is het minder vanzelfsprekend geworden dat een franchisegever een afgeleide formule kan introduceren. Aldus de wetgever is het om die reden niet de bedoeling dat franchisegevers gebruik gaan maken van drempelwaarden die dermate hoog zijn dat de wettelijke bescherming van artikel 7:921 BW wordt ‘uitgehold’. Dat betekent dus dat franchisegevers verstandige keuzes moeten maken bij het bepalen van de noodzakelijke drempelwaarde: niet te laag, maar zeker ook niet te hoog.

Jan-Willem Kolenbrander

Advocaat franchise-recht en commerciële contracten

1. Memorie van Toelichting op deze wet

Laatste nieuws

Franchise

Verjaringsperikelen bij prognose-zaken

Indien een franchisenemer bij het aangaan van de franchiseovereenkomst ondeugdelijke prognoses heeft gekregen van zijn franchisegever kan hij in sommige gevallen de franchiseovereenkomst vernietigen op grond van dwaling. Maar dat moet hij dan wel binnen een bepaalde termijn doen. Is de franchisenemer te laat met zijn beroep op dwaling dan is zijn vordering verjaard.

25 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisegever moet schadevergoeding voldoen omwille van onregelmatige beëindiging

Het onregelmatig beëindigen van een franchiseovereenkomst zorgt er voor dat de partij, die ten onrechte beëindigt, schadeplichtig wordt jegens de andere partij. En dat kan grote financiële gevolgen hebben, zoals ook blijkt uit de casus die in deze blog wordt besproken.

9 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisenemer vraagt tevergeefs vernietiging non-concurrentiebeding

Een postcontractueel non-concurrentiebeding is een beding dat een franchisenemer na het einde van de franchiseovereenkomst verbiedt om met de formule concurrerende activiteiten te ontplooien. Een franchisenemer die is gebonden aan een dergelijk postcontractueel non-concurrentiebeding kan zich op allerlei standpunten stellen om de werking van dit beding aan te tasten. Vaak blijkt echter dat deze standpunten niet tot het gewenste resultaat leiden, te weten het terzijde schuiven van het postcontractuele non-concurrentiebeding, zoals ook blijkt uit de volgende casus.

6 oktober 2022

Meer hierover