Franchise

7 februari 2022

Rechtbank wijst beroep van franchisenemer op dwaling af

Franchise

Jan-Willem Kolenbrander

In een eerder artikel [1] is aan de orde gekomen dat een rechtsgeldig beroep op dwaling vanwege ondeugdelijke prognoses een effectief middel kan zijn om een postcontractueel non-concurrentiebeding van tafel te krijgen. De franchiseovereenkomst wordt dan immers vernietigd op grond van dwaling, inclusief het non-concurrentiebeding. De franchiseovereenkomst, inclusief het non-concurrentiebeding, hebben dan nimmer bestaan en de franchisegever kan er geen beroep op doen. Maar dan moet er uiteraard wel sprake zijn van een rechtsgeldig beroep op dwaling anders gaat deze vlieger niet op, zoals blijkt uit een eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland.

In voornoemde kwestie hadden de franchisegever en de franchisenemer een franchiseovereenkomst met elkaar gesloten. Op grond daarvan mocht de franchisenemer onder de vlag van die franchiseformule een dierenwinkel exploiteren. Voorafgaand aan het ondertekenen van de franchiseovereenkomst had de franchisegever een vestigingsplaatsonderzoek en een exploitatiebegroting verstrekt aan de franchisenemer. In de franchiseovereenkomst was verder een postcontractueel non-concurrentiebeding opgenomen dat als volgt luidde:

Ter bescherming van de door PETS PLACE aan franchisenemer overgedragen knowhow is hetgeen in het voorgaande artikellid bepaald onverkort van toepassing gedurende één (1) jaar na beëindiging dan wel ontbinding van deze overeenkomst binnen het in deze overeenkomst omschreven exclusieve rayon. Indien en voor zover de concurrentiebeperking voor het gehele rayon nietig zou zijn op grond van de toepasselijke bepalingen uit de groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten dan wel op grond van (toekomstige) mededingingsrechtelijke wetgeving, geldt dit beding enkel voor de vestiging- c.q. verkooppunt waarin het onroerend goed, als bedoeld in deze overeenkomst, is gelegen.

Helaas voor de franchisenemer bleven de daadwerkelijke omzetten achter op hetgeen de franchisenemer ten tijde van het tekenen van de franchiseovereenkomst had geprognosticeerd. Ongeveer acht maanden na het tekenen van de franchiseovereenkomst – het is dan medio januari 2013 – stuurde de franchisegever een brief aan de franchisenemer waarin werd erkend dat er in het vestigingsplaatsonderzoek “een paar behoorlijke fouten” waren gemaakt. Hierdoor was de omzetprognose ook niet haalbaar. Enkele jaren later – het is dan juni 2018 – stuurde de franchisenemer zelf een brief aan de franchisegever waarin hij (waarschijnlijk ironisch bedoeld) opmerkte dat “er een ‘klein foutje’ in het VPO stond.

Uiteindelijk kwamen de franchisegever en franchisenemer alsnog met elkaar in conflict en verzocht de franchisenemer medio 2021 aan de rechter om het postcontractuele non-concurrentiebeding buiten toepassing te laten. Volgens de franchisenemer was de franchiseovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand gekomen en daardoor vernietigbaar. Het in de overeenkomst opgenomen non-concurrentiebeding was dientengevolge ook vernietigbaar.

De rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2021:1875klik hier voor het volledige vonnis) oordeelt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het vestigingsplaatsonderzoek fouten bevat. Dat rechtvaardigt volgens de rechtbank de conclusie dat deze franchisenemer bij een juiste voorstelling van zaken de franchiseovereenkomst niet – dan wel niet onder dezelfde voorwaarden – zou hebben gesloten met de franchisegever. Een beroep op vernietiging van de franchiseovereenkomst ligt dan ook gereed, aldus de rechtbank.

Dan gaat het de verkeerde kant op voor deze franchisenemer, want de rechtbank merkt ook op dat er al in 2013 aan de franchisenemer kenbaar was gemaakt door de franchisegever dat er fouten in het vestigingsplaatsonderzoek zaten. In 2018 heeft de franchisenemer kenbaar gemaakt hiervan op de hoogte te zijn. De rechtbank stelt verder vast dat de franchisenemer in die periode tot aan de start van de gerechtelijke procedure in 2021 zich nimmer heeft beroepen op dwaling. Aangezien een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling vanwege dwaling verjaart na verloop van drie jaren nadat de dwaling is ontdekt door de benadeelde komt de franchisenemer volgens de rechtbank geen beroep (meer) toe op dwaling. De franchiseovereenkomst kan niet worden vernietigd en de franchisenemer is onverkort gebonden aan het postcontractuele non-concurrentiebeding.

Voornoemde kwestie onderstreept dat een franchisenemer, die zich geconfronteerd ziet met ondeugdelijke prognoses, dus niet te lang moet dralen voordat hij actie onderneemt. Anderzijds onderstreept deze kwestie ook dat een franchisegever er verstandig aan kan doen om eerlijk te zijn tegen een franchisenemer als er fouten zijn gemaakt in de prognoses, omdat de verjaring van het verjaringstermijn dan al direct begint te lopen.

Jan-Willem Kolenbrander

Advocaat franchise-recht en commerciële contracten

[1] http://openaccessadvocate.tijdschriften.budh.nl/tijdschrift/contracteren/2019/3/Contr_1566-0893_2019_021_003_003.pdf

Laatste nieuws

Franchise

Verjaringsperikelen bij prognose-zaken

Indien een franchisenemer bij het aangaan van de franchiseovereenkomst ondeugdelijke prognoses heeft gekregen van zijn franchisegever kan hij in sommige gevallen de franchiseovereenkomst vernietigen op grond van dwaling. Maar dat moet hij dan wel binnen een bepaalde termijn doen. Is de franchisenemer te laat met zijn beroep op dwaling dan is zijn vordering verjaard.

25 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisegever moet schadevergoeding voldoen omwille van onregelmatige beëindiging

Het onregelmatig beëindigen van een franchiseovereenkomst zorgt er voor dat de partij, die ten onrechte beëindigt, schadeplichtig wordt jegens de andere partij. En dat kan grote financiële gevolgen hebben, zoals ook blijkt uit de casus die in deze blog wordt besproken.

9 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisenemer vraagt tevergeefs vernietiging non-concurrentiebeding

Een postcontractueel non-concurrentiebeding is een beding dat een franchisenemer na het einde van de franchiseovereenkomst verbiedt om met de formule concurrerende activiteiten te ontplooien. Een franchisenemer die is gebonden aan een dergelijk postcontractueel non-concurrentiebeding kan zich op allerlei standpunten stellen om de werking van dit beding aan te tasten. Vaak blijkt echter dat deze standpunten niet tot het gewenste resultaat leiden, te weten het terzijde schuiven van het postcontractuele non-concurrentiebeding, zoals ook blijkt uit de volgende casus.

6 oktober 2022

Meer hierover