Franchise

29 augustus 2022

Geen beroep op standstill-periode voor overeenkomsten van voor 1 januari 2021

Franchise

Jan-Willem Kolenbrander

In de Wet franchise is geregeld dat een kandidaat-franchisenemer ten minste vier weken de tijd moet krijgen om de van de franchisegever verkregen informatie te kunnen beoordelen. Tijdens deze zogenoemde standstill-periode mag de franchisegever geen franchiseovereenkomst sluiten met de kandidaat. Maar vanaf wanneer is de standstill-periode een wettelijke verplichting geworden voor franchisegevers?

Inleiding

Inleiding

In artikel 7:913 lid 2, 3 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) is geregeld dat een franchisegever in de onderhandelingsfase met de kandidaat-franchisenemer bepaalde informatie moet verstrekken. In artikel 7:914 BW is verder geregeld dat deze informatie ten minste vier weken voor het sluiten van de franchiseovereenkomst aan de kandidaat-franchisenemer moet worden verstrekt. Tijdens deze periode, ook wel de ‘standstill-periode’ genoemd, mag de franchisegever onder meer geen franchiseovereenkomst sluiten met de kandidaat of deze aanzetten tot het doen van investeringen.

Sluit de franchisegever toch een franchiseovereenkomst met de kandidaat in de standstill-periode dan is dat dus strijdig met de Wet franchise. Ook als de franchisenemer uitdrukkelijk heeft ingestemd met het niet-naleven van de standstill-periode (zie ook deze blog). De franchisenemer heeft dan drie jaar de tijd na ondertekening om de franchiseovereenkomst te vernietigen. De overeenkomst heeft dan nooit bestaan.

De Wet franchise is per 1 januari 2021 van kracht geworden. Geldt de standstill-periode ook voor franchiseovereenkomsten die voor deze datum zijn ondertekend? Of alleen daarna? Onder meer die vraag kwam aan de orde in onderstaande casus.

Casus

Een franchisegever en een franchisenemer sloten in november 2020 een franchiseovereenkomst met elkaar voor de exploitatie van een schoonheidssalon. In de overeenkomst was bepaald dat beide partijen na zes maanden na ondertekening van de overeenkomst “uit elkaar” konden gaan. De franchisenemer zou in dat geval wel gehouden zijn om de door de franchisegever gemaakte kosten te vergoeden.

Kennelijk beviel deze franchise de franchisenemer niet, want binnen zes maanden liet de franchisenemer al aan de franchisegever weten dat zij de franchiseovereenkomst wilde beëindigen. Er ontstond een discussie tussen de franchisegever en de franchisenemer over de afwikkeling van de samenwerking en de daarmee gemoeide kosten. Dat resulteerde in een gerechtelijke procedure. In die procedure nam de franchisenemer onder meer het standpunt in dat de franchisegever niet had voldaan aan de standstill-periode. De franchiseovereenkomst zou om die reden vernietigbaar zijn.

Oordeel rechtbank

De rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2022:2385klik hier voor het volledige vonnis) oordeelt dat de overeenkomst tussen partijen inderdaad een franchiseovereenkomst is. De Wet franchise is dan ook van toepassing op de overeenkomst tussen partijen. Echter, de rechtbank merkt op dat de Wet franchise op 1 januari 2021 in werking is getreden en op die datum voor het overgrote deel direct van toepassing is geworden. Waaronder dus de verplichting om een standstill-periode in acht te nemen.

De franchiseovereenkomst is echter in november 2020 ondertekend, dus voor de inwerkingtreding van de Wet franchise. Ook een eventuele standstill-periode ziet toe op een periode voor de inwerkingtreding van de Wet franchise. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat het in acht nemen van de standstill-periode op dat moment nog niet wettelijk was vereist. De franchisegever heeft dan ook niet in strijd gehandeld met de Wet franchise en het beroep op vernietiging door de franchisegever slaagt niet.

Kortom

Franchisegevers hoefden voor 1 januari 2021 niet te voldoen aan de Wet franchise en dus ook geen standstill-periode in acht te nemen. Als de standstill-periode voor 1 januari 2021 niet in acht is genomen door een franchisegever, is dat derhalve geen overtreding van de Wet franchise. Voornoemde casus toont dat treffend aan.

Jan-Willem Kolenbrander

Advocaat franchise en commerciële contracten

Laatste nieuws

Franchise

Verjaringsperikelen bij prognose-zaken

Indien een franchisenemer bij het aangaan van de franchiseovereenkomst ondeugdelijke prognoses heeft gekregen van zijn franchisegever kan hij in sommige gevallen de franchiseovereenkomst vernietigen op grond van dwaling. Maar dat moet hij dan wel binnen een bepaalde termijn doen. Is de franchisenemer te laat met zijn beroep op dwaling dan is zijn vordering verjaard.

25 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisegever moet schadevergoeding voldoen omwille van onregelmatige beëindiging

Het onregelmatig beëindigen van een franchiseovereenkomst zorgt er voor dat de partij, die ten onrechte beëindigt, schadeplichtig wordt jegens de andere partij. En dat kan grote financiële gevolgen hebben, zoals ook blijkt uit de casus die in deze blog wordt besproken.

9 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisenemer vraagt tevergeefs vernietiging non-concurrentiebeding

Een postcontractueel non-concurrentiebeding is een beding dat een franchisenemer na het einde van de franchiseovereenkomst verbiedt om met de formule concurrerende activiteiten te ontplooien. Een franchisenemer die is gebonden aan een dergelijk postcontractueel non-concurrentiebeding kan zich op allerlei standpunten stellen om de werking van dit beding aan te tasten. Vaak blijkt echter dat deze standpunten niet tot het gewenste resultaat leiden, te weten het terzijde schuiven van het postcontractuele non-concurrentiebeding, zoals ook blijkt uit de volgende casus.

6 oktober 2022

Meer hierover